Encyclopedie
Begrippenlijst

Heterogeniteit is uitgangspunt

Uit Triple A Encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken


Het ICT-landschap van onderwijsinstellingen bestaat uit verschillende systemen en technologieën. Bij de inrichting van ICT wordt er van uitgegaan dat deze diversiteit altijd zal bestaan (en nuttig is).

Dit betekent dat we nadrukkelijk niet streven naar uniformiteit in de leverancier, de gebruikte ontwikkelstraatEen werkomgeving voor softwareontwikkeling gebaseerd op één of meerdere technische platforms aangevuld met een samenhangende verzameling tools en de inrichting van ontwikkel- test- en acceptatieomgevingen op basis waarvan een softwareleverancier op een professionele en beheersbare manier software ontwikkelt., programmeertalen of generieke voorzieningen. Ook wordt er niet gestreefd naar het onderbrengen van alle functionaliteit in één suite van producten van dezelfde leverancier of technisch platformeen verzameling technische basisvoorzieningen op basis waarvan softwareontwikkeling kan plaatsvinden bijvoorbeeld het J2EE platform of het .NET platform.. Uiteraard is het wel mooi als er uniformiteit is, maar het is geen voorwaarde of uitgangspunt.

Ook ten aanzien van bestaande systemen (vaak legacy-systemen genoemd) hanteren wij niet op voorhand het uitgangspunt dat deze per definitie vervangen moet worden.

In plaats van het streven naar eenvormigheid, wordt gestreefd naar een open architectuur, gericht op integratie van systemen en functionaliteiten. Daarbinnen kan een instelling dus voor elke gewenste functionaliteit de oplossing kiezen die het meest passend is, en deze inpassen in de bestaande omgeving. Dit wordt wel een best-of-breed strategie genoemd.

Richtlijnen:

  1. Systemen kunnen op verschillende technische platformen zijn gebaseerd. Er wordt geen standaardisatie nagestreefd voor deze systemen zelf. Alleen de koppelvlakken dienen zodanig te zijn dat systemen kunnen worden geïntegreerd in een heterogene, servicegeoriënteerde omgeving. Hiervoor is het noodzakelijk dat de koppelvlakken zijn gebaseerd op de volgende technologieën.
    • Standaarden voor webservices voor het koppelen van softwarefunctionaliteit (XML, XSD, SOAP, HTTP, WSDL en WSS).
    • Standaarden voor procesbesturing (BPEL en de standaarden van de Workflow Management Coalition (WfMC))
    • Standaarden voor uitwisseling van documenten (ODF en PDF).
  2. Er worden geen organisatiebrede, uniforme gegevensstandaarden gehanteerd. Systemen kunnen hun eigen gegevensstructuren en gegevenstypen hanteren. Standaardisatie van gegevensstructuren en gegevenstypen blijft beperkt tot het minimaal noodzakelijke om koppelingen te kunnen realiseren. Dit kan betekenen dat gegevens die betrokken zijn in koppelingen wel worden gestandaardiseerd, of dat er een gegevensvertaling (data mapping) wordt gedefinieerd.
  3. Infrastructurele voorzieningen, zoals de infrastructuur voor routering, (de adressering en het gegevenstransport tussen services) gegevensvertaling, monitoring etc. mag heterogeen zijn. Ze moet echter wel op elkaar aansluiten voor essentiële functies zoals voor routering, beveiliging en als één infrastructuur functioneren.
  4. Er wordt gestreefd naar één organisatiebrede enterprise servicebus, maar noodzakelijk is dat niet.
  5. Er wordt gestreefd naar één organisatiebreed portaal, maar noodzakelijk is dat niet,